De verschillende disciplines

1. Dressuur

Het onderdeel dressuur wordt verreden op een terrein van 100 x 40 meter, duurt ongeveer 10 minuten en alle deelnemers rijden dezelfde proef. 
De deelnemers worden door 3 of 5 juryleden beoordeeld. De dressuur is bedoeld om de rust, regelmaat van de gangen, harmonie, soepelheid, drang naar voren en de juiste houding van de paarden in beweging te beoordelen. Tevens wordt de deelnemer beoordeeld op stijl van rijden, nauwkeurigheid en beheersing van het span, uiterlijke verzorging van de rijder en de groom(s), staat van onderhoud, conditie, onderlinge overeenstemming en verzorging van de paarden, het tuig en het rijtuig.

2. Marathon

Het zwaarste en meest spectaculaire onderdeel van de samengestelde menwedstrijd. Dit geldt zowel voor de koetsier als voor de pony’s of paarden, maar zeker ook voor de grooms die meerijden. Dit onderdeel heeft een lengte van ongeveer 20 kilometer en is onderverdeeld in 3 of 5 trajecten van verschillende afstanden en snelheden. De deelnemers starten om de 7 minuten, na de staptrajecten hebben de spannen een verplichte rustpauze van 10 minuten. In het laatste traject zijn 6 tot 8 hindernissen opgenomen. Een hindernis bestaat uit maximaal 6 poorten (A t/m F), die gemarkeerd zijn met een rode band (aan de rechterkant van de poort) en een witte band (aan de linkerkant van de poort). De deelnemer dient de juiste alfabetische volgorde van de poorten aan te houden. In de hindernissen zijn verzwaarde reglementen van toepassing. Bij overtreding van deze reglementen kan men extra strafpunten oplopen. Hierbij moet gedacht worden aan: afrijden van magneetpaaltjes; beide voeten van de groom(s) op de grond; koetsier op de grond; herstelde en niet herstelde fout in het parcours; het omslaan van het rijtuig en het neerleggen van de zweep. Voor het publiek zijn deze hindernissen het meest spectaculair en voor de paarden, de koetsier en de groom(s) het zwaarste onderdeel van de wedstrijd.

3. Vaardigheid

Het laatste onderdeel van de samengestelde menwedstrijd is de vaardigheidsproef, een proef die het best te vergelijken is met een springparcours van een concours hippique. De vaardigheidsproef is bedoeld om de conditie, gehoorzaamheid en soepelheid van de paarden na de marathon te toetsen, alsmede de behendigheid en het vakmanschap van de deelnemer te beoordelen. Het parcours is 500 tot 800 meter lang en bestaat uit maximaal 20 hindernissen of doorgangen. Deze worden gemarkeerd met oranje kegels waarop een bal rust. De afstand tussen de kegels wordt bepaald naar gelang de spoorbreedte van het rijtuig waaraan 30 centimeter kan worden toegevoegd. Het parcours moet met een gemiddelde snelheid van 210 meter per minuut worden afgelegd door de vierspannen. De gemiddelde snelheid voor de tweespannen ligt op 230 meter per minuut. Wanneer een deelnemer bijvoorbeeld 1 of meerdere ballen afwerpt of de toegestane tijd overschrijdt, dan krijgt hij daarvoor strafpunten. Een deelnemer wordt uitgesloten van deelname indien deze een poort mist of indien een poort aan de verkeerde zijde wordt gereden.

 

Puntentelling: wie is de winnaar?

De behaalde punten worden van 160 afgetrokken en bepalen de strafpunten voor de dressuurproef. Wanneer het te behalen aantal punten meer is dan 160 (voor de meeste proeven 250, alleen voor proef 7 A, 1- en 2-span pony's, 200) worden de behaalde punten eerst met cofficint 0.64 (of bij 200 punten met 0.8) vermenigvuldigd en vervolgens afgetrokken van 160. Dus bij een proef van 25 onderdelen kun je bij gemiddeld een 8, 25 x 8 = 200 punten behalen. Dit wordt met de cofficint 0.64 vermenigvuldigd, dat is 0.64 x 200 = 128. Dit wordt van 160 afgetrokken en vormt de strafpunten. 160 - 128 = 32. Tenslotte de vaardigheid: 1 balletje eraf is 3 strafpunten en rijd je te langzaam dan krijg je voor elke seconde die je boven de toegestane tijd uitkomt 0,5 strafpunten. Het lijkt meer gereken en ingewikkelder dan het is, maar het komt er gewoon op neer dat degene die de minste strafpunten heeft verzameld, de winnaar is van de wedstrijd.